Jij bent een zomer die voor eeuwig straalt,

En nooit raak jij iets van je schoonheid kwijt,

Of snoeft dood dat je in zijn schaduw dwaalt,

Maar door mijn vers groei jij in eeuwigheid.

Zolang de mens adem en ogen heeft,

Zolang leeft dit, dat jou het leven geeft.

Ben jij een zomerdag gelijk voor mij?

Die is lang niet zo lieflijk en zacht:

Ruw schudt de wind de bloemknoppen van mei,

En al te gauw verdwijnt de zomerpracht.

Soms kan te heet het oog des hemels schijnen,

En dikwijls wordt zijn gouden kleur verduisterd,

En van elk schoon zal eens het schoon verdwijnen,

Door toeval, of verloop van tijd ontluisterd.